Michel Velleman — geboren in Groningen op 5 januari 1895 en onder de artiestennaam Ben Ali Libi een geliefd Nederlands goochelaar — behoort tot de meest aangrijpende figuren uit de Nederlandse goochelgeschiedenis. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij door de nazi's vermoord; zijn naam leeft voort dankzij een beroemd gedicht.
Visuele referentie

Jeugd en artiestennaam
Velleman werd geboren als zoon van koopman Jesajas 'Jacques' Ruben Velleman en Aaltje Noort. Hij was de tweede zoon in het gezin, een jaar jonger dan zijn oudere broer Ruben, die fotograaf werd. Door het werk van zijn vader verhuisde het gezin vaak — van 's-Hertogenbosch en Rotterdam naar Antwerpen — voordat het zich definitief in Amsterdam vestigde. In 1916 trouwde hij met Anna Speijer.
De artiestennaam Ben Ali Libi bestond al sinds 1907. Velleman trad vanaf 1912 eerst op als 'Ben Ali Libi Jr' en reisde vanaf 1920 als zelfstandig artiest onder de naam Ben Ali Libi door het hele land.
Een geliefd goochelaar
Het Nieuwsblad van het Zuiden schreef in 1924 dat Ben Ali Libi 'een handige toovenaar' was 'die de aanwezigen versteld doet staan van zijn ongelooflijke toeren', en dat 'een heele avond met deze toovenaar alleen niemand zou vervelen'. Hij trad onder meer op voor prins Hendrik en voor de Duitse ex-keizer Wilhelm.
Overdag goochelde hij voor kinderen, 's avonds stond hij in avondvullende cabaretshows met artiesten als Johnny & Jones, Marie Hamel en John de Leeuw. In 1927 was hij zelfs op de radio te horen in een kinderprogramma, een toen nog uitzonderlijke verschijning voor een goochelaar.
Oorlog en deportatie
Ook tijdens de bezetting bleef Velleman doorwerken. Na steeds verdergaande maatregelen ging hij werken voor de Culturele Afdeling van de Joodse Raad en gaf hij goochelles aan huis; een van zijn laatste optredens vond plaats op 24 mei 1942.
Tijdens de razzia van juni 1943 werd hij samen met zijn gezin opgepakt in zijn woning aan het Merwedeplein in Amsterdam. Via kamp Westerbork werd hij naar het vernietigingskamp Sobibór gedeporteerd, waar hij bij aankomst op 2 juli 1943 werd vermoord. Zijn zoon was niet thuis, werd gewaarschuwd en overleefde als enige van het gezin de oorlog.
Een naam die voortleeft
Ben Ali Libi werd bij een breed publiek bekend door het gelijknamige gedicht van Willem Wilmink. Die kreeg het idee door het boek 'Door de nacht klinkt een lied' (1985) van Henk van Gelder, waarin hij in het register van vermoorde artiesten de naam Ben Ali Libi aantrof. Aangespoord door zijn vriend Joost Prinsen schreef Wilmink in 1987 een gedicht over een 'kleine Joodse schlemiel' die zich ondanks zijn goochelkunsten en een zorgvuldig gekozen alibi niet kon verstoppen voor de fantasieloze aanhangers van Hitlers Derde Rijk.
Nadat componist Harry Bannink het gedicht op muziek had gezet, vertolkte Joost Prinsen het lied in het theaterprogramma TipTop (1996) en droeg hij het in 2004 voor in een documentaire over Wilmink. Het gedicht raakte velen — onder wie Bram Moszkowicz, die het in 2012 op televisie zijn levensmotto noemde — en vormde de aanleiding voor de documentaire 'Ben Ali Libi - goochelaar' van Dirk Jan Roeleven uit 2015. Zo groeide het uit tot een aangrijpend eerbetoon.
In Amsterdam is sinds 2017 een brug naar hem vernoemd, bij zijn geboortehuis in Groningen staat een gedenkteken, en sinds 2021 herinneren struikelstenen aan het Merwedeplein aan zijn lot. Zo bleef de herinnering aan deze geliefde goochelaar, die slachtoffer werd van de Holocaust, voor altijd bewaard.
Het verhaal van Ben Ali Libi herinnert eraan hoe kostbaar de kunst van de verwondering is, en hoe belangrijk het is haar levend te houden. Met respect voor die rijke geschiedenis draagt Sudesh Roman de Nederlandse goocheltraditie vandaag verder.
